USA - California

Californische Goldrush







Voorwoord



Het was hier, in deze saaie vallei, dat de Amerikaanse Droom opnieuw
gedefinieerd werd. Een toevallige ontdekking vlakbij de obscure American
Rivier zou een jonge natie voorgoed veranderen. Het simpele leven zou
niet langer toereikend zijn. Hiervoor in de plaats zou er een nieuwe
levensstijl komen: ondernemend, breed en vrij. De nieuwe Amerikaanse
Droom: rijk worden, een vermogen opbouwen -- snel.



Plotselinge rijkdom lag hier voor het oprapen. Overal door Amerika
maakten jonge mannen de beslissing om naar California te gaan.



De ontdekking



In het begin van de jaren 1840 was California een buitenpost dat maar
een handvol Amerikanen gezien had. De saaie havenstad die San Francisco
zou worden, had slechts een paar honderd inwoners.







Halverwege de jaren 1840 druppelden steeds meer Amerikanen California
binnen per wagen en per schip. Sutter verwelkomde de nieuwelingen en zag
ze als onderwerp voor zijn eigen ontworpen koningkrijk. Maar Sutter had
ggen flauw vermoeden dat het druppelen zou veranderen in een vloedgolf,
een stortvloed van mensen die zijn droom zou vernietigen.












"Ik stak mijn hand uit en raapte het op. Ik voelde mijn hart bonzen,
want ik was zeker dat het goud was. Het stuk was half zo groot als en
had de vorm van een boon. Toen zag ik er nog een."

Na de grootste vondst in de geschiedenis van het westen gingen Marshall
en de anderen weer aan het werk. Maar ze bleven maar struikelen over
meer goud.



Omdat Marshall het nog steeds niet kon geloven, nam hij monsters mee
terug naar Sutters fort. Sutter en Marshall testten de glimmende metalen
zo goed als zij konden. Een vod van een encyclopedie gaf hen wat
aanwijzingen. Ze concludeerden dat het goud moest zijn, maar geen van
beide mannen was hier erg blij mee. Sutter was een agrarisch bedrijf aan
het bouwen, en hij wilde niet de competitie die goudzoekers misschien
zouden brengen. En Marshall was een zaagmolen aan het bouwen.
Goudzoekers zouden alleen maar in de weg lopen. Daarom spraken zij af om
de ontdekking geheim te houden.



Maar het duurde niet lang voordat verhalen over goud door de omgeving
gonsden. Nog steeds was er geen race naar de American Rivier. Het nieuws
van Marshalls goud was gewoon een ander fantasie verhaal, te
onwaarschijnlijk om geloofd te worden.



De goldrush had een oppepper nodig, een gangmaker en Sam Brannan was
die man, een koopman uit San Francisco. Brannan was een ervaren vakman
in het creeëren van een hype. Uiteindelijk zou de goldrush hem de
rijkste persoon van California maken, alleen Sam Brannan had nog nooit
naar goud gezocht.



Hij had een ander schema, een plan wat hij in werking zette door
rennend door de straten van San Francisco te schreeuwen over Marshalls
ontdekking. Als bewijs liet Brannnan een flesje met goudstof zien. Het
was een meesterzet, die de goldrush aanwakkerde, en Brannan rijk maakte.



Op het moment dat hij door de straten rende en riep:" Goud, goud in de
American Rivier!", was hij hij niet van plan om er naar te gaan graven.
Hij was van plan om scheppen te gaan verkopen en de eerste persoon die
scheppen verkocht, verdiende een hoop meer goud dan degene die er nog
naar moest zoeken.



Brannan was slim genoeg om de wetten van vraag en aanbod te bergijpen.
Zijn wilde run door San Francisco vond plaats nadat hij elk pikhouweel,
pan en schep in de regio had verkregen. Een metalen pan die hij een paar

dagen eerder voor 20 cent had gekocht, was nu te koop bij Brannan voor $
15. In negen weken verdiende hij $ 36 000.



Koorts



Tegen de winter van 1848 hadden de geruchten van een goldstrike zich
verspreid naar het oosten, maar er waren maar een paar oosterlingen die
het geloofden. Het was een tijd waarin geruchten niet serieus genomen
werden en de overheid werd gerespecteerd. De goudvondst had bevestiging
nodig en president James Polk gaf die bevestiging begin december 1848.





"De beschijvingen van het voorkomen van goud in dat gebied zijn zo
buitengewoon dat men het nauwelijks kan geloven, ware het niet dat de
verhalen bevestigd worden door de authentieke verslagen van officieren
die werken voor de overheid."



In 1849 was de goudkoorts een epidimie.





Historicus Charlie Martin Sr.: "In de Richmond, Indiana krant
bijvoorbeeld, stond een grote advertentie. Deze man verkocht zalf in een
flesje, die te koop was voor $2.50 of $5.00. Het enige dat je hoefde te
doen was je van top tot teen insmeren met deze zalf, naar de top van de
berg gaan, naar beneden rollen en al het goud blijft aan je plakken. De
man garandeerde dat je tegen de tijd dat je beneden komt, je genoeg
goud van je lichaam af kon schrapen om er lang en gelukkig van te leven.
Dat was alles wat je nodig had. En hij verkocht twee verschillende
soorten zalf: één voor goud en één voor zilver. Dit was precies hetgene
dat ervoor zorgde dat de jonge mannen van 17 tot 21 jaar goud gingen
zoeken, omdat ze dachten dat ze dan de rest van hun leven gelukkig
konden zijn."



Discussies over goud konden gehoord worden aan bijna elke keukentafel
in het land. Jonge mannen legden uit aan hun vrouwen dat een jaar uit
elkaar de ontbering wel waard zou zijn.



Mijnwerker Melvin Paden: "Jane, ik verliet jou en onze jongens om een
klein stukje land te verwerven door het zweet van mijn voorhoofd, zodat
we een plek voor ons zelf kunnen hebben en dat ik niet langer voor
andere mensen een hond ben."



Zij zeiden vaarwel en stroomden weg als eenheid, duizenden jonge
avonturiers met één gezamelijke droom, een jaar van pijn in ruil voor
een leven lang rijkdom. Ze werden de 49-ers genoemd, omdat ze huis en
haar verlieten in 1849. Hun terugkeer zou een compleet ander verhaal
worden.



De reis



De vertrekkende goudzoekers kwamen al snel in aanraking met de eerste
moeilijkheid. California was ver weg. Er was geen spoorweg om hen snel
weg te voeren naar het westen en geen rivier om hen naar California te
drijven. In plaats daarvan zou de reis een pijnlijke test van hun
doorzettingsvermogen worden.





Er waren twee ellendige keuzes. De zee route rondom de punt van
Zuid-Amerika duurde vaak langer dan zes maanden. Maar het alternatief
was niet veel beter, namelijk een wandeling van 3200 km door het barre
binnenland van America. De zee route was favoriet bij goudzoekers uit de
osstelijke staten. Zeeziekte was algemeen heersend, het eten zat vol
met ongedierte, of was ranzig. Het water dat maanden opgeslagen was in
een scheepsruim was bijna ondrinkbaar. En dan was er nog de verveling,
maanden en maanden op zee zonder iets te doen, behalve dromen over goud.
Het wachten was ondraaglijk.





Om te voorzien in de groeiende behoefte aan snelheid, werd er snel een
kortere route in gebruik genomen door Panama. Het leek een logische
binnendoor route, maar het doorkruisen van de regenwouden van centraal
Amerika was een avontuur op zichzelf. Malaria en cholera kwamen veel
voor. Degenen die lang genoeg leefden om de Pacifische Oceaan te zien,
stonden voor een nieuw probleem: ze waren gestrand. Schepen om ze naar
de kust van San Francisco over te brengen waren zeldzaam. En zo wachtten
de 49-ers weken, of maanden in overvolle, met ziekte verheven
kuststadjes.





Voor amerikanen die in de centrale staten leefden, was er een andere
route naar het westen, een alledaags pad dat een aantal jaar eerder
uitgesneden was: het Oregon-California Trail. De route over land was
veel korter dan de zee route, maar hij was niet sneller. De meesten
hadden geen flauw idee hoe zwaar de landreis zou zijn.



J.S. Holliday: "De mensen die naar California gingen met tienduizenden
waren groentjes, stadsmensen. Ze hadden geen eelt aan hun handen, hadden
nog nooit een geweer afgevuurd, nog nooit een ploeg gevolgd, nog nooit
paard gereden, en ze kenden het verschil tussen onder en boven niet in
termen van de wildernis en het pioniersleven. En ze waren er ook niet in
geinteresseerd."



Het enige waar ze aan konden denken was goud terwijl ze naar het westen
ploeterden, bedekte wagons naast elkaar met 3 km/uur, gedurende zes
maanden. De eerste weken op het pad bracht de avonturiers naast de
Platte Rivier, langs mijlpalen zoals Chimney Rock, Courthouse Rock en
Scotts Bluffs. Militaire buitenposten zoals Ft. Laramie waren erg
belangrijk als postkantoor. Een plaats om een brief te sturen naar de
gretige families thuis en een plek van openhartige brieven vol van
optimisme en hoop.





Een anonieme 49-er:"De verslagen van de goudvelden zijn hier net zo
stimulerend als in Massachusetts. Probeer je eens voor te stellen als ik
terug kom met $10 000 tot $100 000."



Het echt gevaar van de reis over land waren niet de Indianen, zoals men
vaak dacht, maar water. Althans, het gebrek aan water. De laatste paar
honderd kilometer waren erg lastig. Langs de Humboldt en Carson Rivieren
bereikte je een punt waar er over lange afstanden helemaal geen water
was en je dood ging van de dorst. Je tong zou zwart worden en je zou
dood neervallen, en er waren veel verslagen van dat effect. Goed,
sommige slimmeriken in California kregen hier erg in en verschenen met
hun emmers en tonnen gevuld met water. Het water kostte $ 1 per glas, of
zoveel als waar ze mee weg konden komen. De waterprijs kon oplopen tot $
100 per glas. Degenen zonder geld werden soms gewoon achtergelaten om
dood te gaan. Het was een lesje in vraag en aanbod dat nog vaak herhaald
zou worden in het grensgebied van California.



Het gouden land





Het meeste goud van de wereld zit vast diep onder de grond, als
onderdeel van het moedergesteente. Maar het Californische goud was
anders, het was makkelijk toegankelijk voor iedereen met een simpele
uitrusting en de wil om hard te werken. Het politieke klimaat was ook
uniek. California werd een paar dagen na Marshalls ontdekking lid van de
VS en de goldrush begon voordat er een regering van betekenis gevormd
was. Hij was een onwaarschijnlijke kruising tussen anarchie en geologie.
Wat ook bijzonder was, was dat het Californische goud makkelijk te
winnen en gratis mee te nemen was.

J.S. Holliday: "Het is politiek vrij. Het behoort niemand toe. Er is
geen bord dat zegt verboden toegang. Er is geen overheid. Er is geen
hek. Er is geen gezag. Er zijn geen van de normale obstakels, politieke
obstakels. De Californische goldrush is daar, open, vrij. Er is geen
strijdkracht die regels oplegt. Er worden geen belastingen opgehaald,
geen belasting inspecteurs. Er is geen juridisch systeem. Er zijn geen
grenzen, er zijn geen regels. Het is daar, het is vrij."



Het was lastig om aan voedsel te komen, behalve uit blik en gedroogd
vlees. Verse groeten waren erg zeldzaam. Sutter had enorme tuinen, maar
deze werden instantaan geplunderd. Het was niet alleen Sutters tuin die
geplunderd werd, tegen het eind van 1849, was zijn koninkrijk volledig
ingestort. Sutter had niet de ondernemingsgeest van de nieuwe
Californiers en geen goudkoorts. Hij wilde een agrarisch bedrijf en
weigerde zijn visie te veranderen.



In het nieuwe Californie stond Sutter gewoon in de weg. De 49-ers
vertrapten letterlijk zijn gewassen en braken zijn fort af voor
bouwmateriaal. Teneergeslagen en gedesillusioneerd verliet hij
uiteindelijkde staat. De man die de beste kans had om veel geld te
verdienen aan de ontdekking van goud, heeft het niet eens geprobeerd.




In plaats daarvan werd Californie opgevuld met een ander soort
zakenmensen, en het vulde snel. Kampen schoten als paddestoelen uit de
grond en groeiden als snel uit tot de zogeheten boomtowns om de
populatie van dienst te zijn. Deze plaatsten kregen namen als Hangtown,
Gouge Eye, Rough and Ready en Whiskeytown. Stuk voor stuk plaatsen om te
vermijden, al was het niet voor het goud. Plaatsen die wild, open en
vrij waren.



In die tijd was Californie tolerant tegenover alles en iedereen. Ik ben
ervan overtuigd door het lezen van dagboeken dat het deze mensen niet
kon schelen wat iemand anders deed, waar zevandaan kwamen, hoe ze heten
en wat hun geschiedenis was. Je was er anoniem. En als een consequentie
kon je er alles doen wat je wilde. De klassen-maatschappij vanuit het
oosten was voorbij en kansen waren overal. Het was pure vrijheid en een
vrije markt. Mensen met een vaardigheid stelden de eisen, ongeacht wie
ze waren. Vrouwen bijvoorbeeld, die thuis geen geld konden verdienen,
ontdekten dat huishoudelijke vaardigheden hier geen geringe waarde
hadden.



Wanhoop



Halverwge 1849 was al het makkelijke goud weg, maar de 49-ers bleven
maar komen. Er was nog steeds goud in de rivierbedden, maar het werd
steeds moelijker om het te vinden. Een doorsnee mijnwerker besteedde 10
uur per dag tot zijn knieen in ijskous water, graven, zeven, wassen. Het
was slopend werk dat steeds minder en minder opbracht.





Toen het pannen steeds minder effectief werd, gingen de mijnwerkers
over op meer geavanceerde technieken voor de winning van het waardevolle
metaal. Maar het was een verloren strijd naarmate de goudreserves
krompen en het aantal goudzoekers nog steeds dramatisch toenam. De sfeer
van vriendelijke kameraadschap, die een jaar of twee eerder zo
overheersend was geweest, was er niet meer. De 49-ers die verwacht
hadden om rijk te worden in een paar dagen kwamen zichzelf tegen,
gravend maand na maand, jaar na jaar, met bijna niets ter compensatie
voor hun moeite. Frustratie en depressie grepen om zich heen.





Duizenden jonge mannen die nog nooit aan gokken gedacht hadden,
veranderden van gedachten uit pure wanhoop. Ze hoopten met het omdraaien
van een kaart te verdienen wat 1000 scheppen niet hadden geproduceerd.
Om genoeg te verdienen en uiteindelijk gerechtvaardigd te kunnen zeggen:
"Ik kan naar huis." Dus ze vestigden hun hoop op zonden, zoals gokken
en drinken. Plus vloeken, werken op de sabbat en overspel, uit
verveling, telerustelling en wanhoop. Daarom zijn deze mannen geen
bruten en geen wilde, jonge avonturiers. Het zijn eerbare echtgenoten,
zonen, vaders en ooms die diep teleurgesteld en gepijnigd zijn door de
situatie waar ze zich in bevinden. En zich daarom tot gokken, drinken
wat voor vertier er maar voor hand was wendden, om de pijn en
vernedering van het falen te verzachten.



Frustratie en teleurstelling leidden uiteindelijk tot criminaliteit.
Gevangenissen, onnodig een paar jaar daarvoor, werden gevuld.
Ophangingen werden gebruikelijk, bijna zakelijk. 49-er John Bucroft: "Ik
pak deze kans om deze paar regels naar je te schrijven, hopend dat je
in goede gezondheid bent. Ik en Charly zijn veroordeeld tot ophanging om
5 uur voor een overval. Groeten aan Frank en Sam."



Velen gaven de droom op en gingen naar huis naar het oosten. Anderen
bleven, nog één jaartje hoopten ze. Een extra jaar en dan zouden ze
rijkdom vinden. En er waren toevalstreffers tot ver in de jaren 1850,
net genoeg goed nieuws om de menigte aan te moedigen om door te graven.
De meesten faalden, elke dag, maar ze bleven het proberen, jaar na jaar.
Teneergeslagen, teleurgesteld en velen zouden nooit terugkeren naar
huis en de geliefden in het oosten. Zij zouden sterven in Californie,
gebroken door een droom die nooit uitgekomen was.



Botsing van culturen



De Californische goldrush was niet alleen een Amerikaanse gebeurtenis,
het was een wereldgebeurtenis. Veel mijnen, meest in het zuiden, werden
gerund door buitenlanders die alleen voor het goud kwamen. Chinezen,
Chilenen, Mexicanen, Ieren, Duitsers, Fransen en Turken zochten hun
geluk in Californië.





Net als hun Amerikaanse tegenpolen, hadden de buitenlandse mijnwerkers
niet de intentie om in Californie te blijven. Het doel was: Goud
verzamelen en naar huis! Maar het goud het land uitkrijgen was een
moeilijke opgave -- bandieten hadden vaak buitenlanders als slachoffer.
Maar de Chinezen hadden een unieke oplossing. Als ze het goud uit de
heuvels haalden en naar China wilden sturen, namen ze het mee naar San
Francisco, en smolten het om in woks, braadpannen, kookgerei en potten,
en als ze dan aan boord gingen van schepen om naar huis te gaan, leek
het alsof ze niets dan zwart geblakerd, vies keukengerei bij zich
hadden. En als ze dan thuis aankwamen, smolten ze het allemaal weer om,
en daar was hun goud. Dit alles is goed gedocumenteerd.



Toen de goudvoorkomens uitdunden, werd de verachting jegens de
buitenlanders groter. Onder grote druk voerde de Californische wetgevers
in 1850 de "Foreign Miners Tax" (belasting voor buitenlandse
mijnwerkers) in. 20$ per maand voor elke buitenlandse mijnwerker, wat
een belasting was die de spanningen alleen maar verder liet oplopen.
Vele buitenlandse goudzoekers weigerden deze belasting te betalen, en
verlieten het land. Anderen, zoals veel Chinezen, bleven in Californië,
als mijnwerker, of, omdat er een metropolistische cultuur aan het
ontwikkelen was, in meer traditionele ambachten. Ondanks de raciale
onlusten ging het de meeste nieuwe inwoners goed. Als je wat toe te
voegen had, was je welkon in Californië. Vanaf dat prille begin had
Californie de meest diverse etnische cultuur van de wereld.





Maar een etnische groep deed het niet zo goed -- de oorspronkelijke
bewoners van de Californische goudvelden: de Indianen. Ze waren
ongeinteresseerd in het mijnen van goud en werden bijna meteen
gedecimeerd. Het was een genocide. Toen alle immigratie op gang was
gekomen, verstoorde deze de gehele sociaal-economische
overlevingsstructuur, het hele systeem van de Indianen. En er leefden
veel Indianen in het gebied, waarschijnlijk ongeveer 300.000. Ze werden
snel gereduceerd tot nog maar 50.000. Het was een grote slachtpartij.



De zwarte Amerikanen deden het verbazingwekkend goed. De Zuiderlingen,
die hun slaven mee brachten om te helpen bij de afgravingen, merkten al
snel dat de 49-ers dat niet echt op prijs stelden. Dit was niet vanwege
de het feit dat ze tegen slavernij waren, maar ze hadden een hele andere
reden om te protesteren. De mijnwerkers zeiden dat zij moesten werken
voor hun goud, en dat ze niet wilden werken aan de zijde van iemand die
een slaaf had om het werk voor hem te doen. Het had dus niets met
slavernij te maken, maar met eigenwaarde. Het zou hen degraderen tot de
positie van slaaf, als een slaaf hetzelfde werk zou doen als zij. Ze
hadden ook veel moeite met het idee dat iemand hoog op de oevers mensen
aan het controleren waren, zonder dat ze hun eigen graafwerk deden.




In 1850 werd Californie toegelaten tot de Unie als een vrije staat, wat
meer spanningen veroorzaakte in het Oosten en zou leiden tot de
Burgeroorlog. Weinigen slechts in Californie gaven iets om de
slavernij-kwestie. Er was nog steeds maar een ding in ieders vizier
hier: Goud. En goud werd moeilijker en moeilijker te vinden.



Veranderingen





Grote veranderingen vonden plaats in Californië, omdat het goud steeds
moeilijker te winnen viel. In de vroege jaren 1850 kon een mijnwerker
zijn claim niet langer meer in zijn eentje bewerken. Hij had de hulp
nodig van technologie.



In het begin vormden mijnwerkers informele maatschappijen om rivieren
af te dammen en stromen om te leggen om het goud op de bodem van de
beken bloot te leggen. Maar al snel waren meer kapitaal intensievere
maatregelen nodig om het goud uit de bodem te halen, en de losse
maatschappijen van de mijnwerkers werden vervangen door grote
cooperaties. In het midden van de jaren 1850 waren de meeste
overgebleven mijnwerkers medewerkers van de grote mijncooperaties
geworden. Ze vonden dit een smakeloze, maar noodzakelijke levensstijl.



De nieuwe mijncooperaties ontwikkelden extractie technieken die
verschrikkelijk efficient waren -- technieken die de rivieren
verwoestten en de eerste Californische milieurampen tot gevolg hadden.
Enorme kranen verplaatsten stenen en zand, waardoor ze de eerder
ongerepte rivieren wegvaagden.



De ergste van de grootschalige mijnbouw technieken werd in 1853 in
gebruik genomen: Hydraulisch mijnen. Enorme stralen water rijtten de
wanden van de rivierbeddingen aan stukken. De stralen waren zo krachtig
dat ze iemand konden doden op 60 meter afstand. Tegen de jaren 1860 was
het duidelijk dat hydraulisch mijnen het landschap verwoestte, maar er
werd weinig tegen gedaan. De Californiërs hadden nog steeds een
ontginnings-mentaliteit -- een mentaliteit die de mijnwerkers vanaf het
begin hadden.



Het duurde meer dan 30 jaar voordat het hydraulische mijnen afgeschafd
werd - 30 jaar om de Californische mentaliteit van ontginning te
veranderen. De rivieren van Noord-Californië zouden nooit meer in hun
ongerepte staat terugkeren. Maar geen enkel deel van Californie zou nog
hetzelfde zijn na de goldrush.



Gevolgen



Alhoewel het goud in de Californische heuvels uiteindelijk uitgeput
raakte, leven de gevolgen van de Goldrush door. Californië werd gevormd
door avonturiers die bleven om het Californië te maken tot wat het
vandaag de dag is: Een plek die risico nemers accepteert en onderhoudt.



In Californië kun je als nergens anders falen. En waarschijnlijk heeft
de Californische goldrush de mensen geleerd dat falen niet zo erg was.
En de reden daarvoor is dat iedereen faalde in Californië, iedereen,
elke dag. Dus falen was geen uitzondering, geen drempel, geen stempel,
niets om je voor te schamen. Voor falen in Des Moines, falen in
Youngstown, falen in Savannah, falen in Philidelphia zou je horen: "Wat
is er met jou aan de hand ?! Je vader zou teleurgesteld zijn in je". Je
wilde niet thuis falen, maar je voelde je vrij om te falen in
Californië, met als gevolg dat de mensen het falen accepteerden, wat
equivalent is aan het feit dat ze bereid waren risico te nemen.
Sindsdien heeft Californië de meest risico nemende economie en
samenleving van het hele land, misschien wel van de hele wereld.



Als gevolg van deze Goldrush, kwamen er andere goldrushes. Alleen in
Calfornië was er een goldrush genaamd Hollywood. Alleen in Californië
was er een goldrush genaamd Silicon Valley, alleen hier ging men van
Charles Lindbergh naar ruimtevaart.



John Sutter zag de mogelijkheden van het goud nooit. Hij kon zijn visie
niet veranderen en verliet de staat. Maar terwijl Sutter en zijn
gelijken de staat verlieten, kwamer er nieuwe Californiërs en ze bleven
komen. Mensen die zich konden aanpassen aan constante veranderingen;
mensen die mogelijkheden zagen in elk hoekje van de straat; mensen die
een uitdagender leven wilden, en die niet bang waren daar ver voor te
gaan.



Het was een romantische tijd. Het was een avontuurlijke tijd. Het was
als oorlog. Een oorlog door al haar tragedies, al haar verschrikkingen,
al haar angsten, al haar ellende en stompzinnigheid. Elke oorlog heeft
haar eigen romantische aspect, omdat er een hoger doel is. Er is een
groot doel; er is een grote overwinning te behalen; er is gerechtigheid.
En de Goldrush had het allemaal, een grote overwinning, gerechtigheid
en een groots einde. Als een man thuis komt en zijn arm om zijn vrouw
legde en zei: "Ik heb het gehaald, Ik heb het gedaan. Ik kan voor ons
zorgen nu. We kunnen dat stuk land kopen. We kunnen verhuizen, we kunnen
doen wat we willen. Ik zal die jurk voor je kopen, en die ketting, en
die paarden en een nieuwe koets. We kunnen kopen wat we willen". Mijn
god, wat een moment in iemands leven. En dat was de belofte van de
Goldrush.



Het was een droom die weinigen echter realiseerden, maar die droom leeft vandaag de dag nog steeds voort. Een kostbare droom.






Van: http://www.pbs.org/goldrush/allabout.html




Terug naar Top van de pagina

Terug naar Goud historie

Frenk's corner