Biella, Italië
Goud Historie van Biella
Er is geen betrouwbaar bewijs wat de exploitatie van een
protohistorische goudmijn ondersteunt, maar de lokaal geproduceerde
objecten van goud, die uit de woningen rondom het Viverone meer komen,
suggereren dat er in de Midden Brons Tijd al flink wat goudwinnings
activeiten plaatsgevonden. Daarnaast laat de aanwezigheid van
verschillende exencentrieke blokken met inscripties, die
hoogstwaarschijnlijk gerelateerd zijn aan de IJzertijd (1ste millenium
B.C.) zien dat er regelmatig activiteiten plaatsvonden in het gebied,
beginnende in de 5de/6de eeuw B.C.. Deze inscripties geven ook aan dat
het gebied waarschijnlijk bestuurd werd door Salassi (Keltisch) samen
met Biella, wat deel uitmaakte van Turijn en de Aosta vallei.

Strabo (64 v. Chr. - 21 n. Chr) schrijft dat in 143/140 B.C. de
Romeinse consul Appio Claudio militair ingreep, omdat er onenigheid was
tussen Salassi, die de goudmijn exploiteerde en de mensen die de vlakten
bewoonden. De mensen werden ervan beschuldigd dat ze de ontgonnen
velden beroofden van het water van de rivier Dora, wat nodig was voor
het goudwassen. Ondanks een rampzalig initiele nederlaag, nam hij het
bevochten land in beslag. De identificatie met Bessa is niet zeker, maar
best mogelijk, daar het waarschijnlijk een grote mijn was, want het
water gebruik leek een provisie probleem te creeeren. We moeten on wel
realiseren dat de historicus die het over de Dora rivier had niet de
huidige rivier die afdaalt vanuit Aosta Valley, maar dat hij het
gebruitke als een algemene aanduiding voor stroom (ook gebruikelijk in
Savoie, France en Valais, Zwitserland) omdat er geen andere goudmijnen
behalve Bessa zijn, die het gekibbel over het water gebruik kunnen
rechtvaardigen. Het jaar 140 is dan ongeveer de datum vanaf wanneer de
Romeinse caféhouders de goudgroeves konden contracteren. Strabones tekst
bevestigt ook dat het metaal al werd gewonnen uit Salassi, duidelijk
niet simpelweg op ambachtsschaal.

Van Plino (23-79 n. Ch.) hebben we het bewijs voor de grootte van de
meter, volgens Bessa, citeert hij een lex censoria die, waarschijnlijk
in verband met de openbare orde, het gebruik van meer dan 5000
werknemers verbd. Dit betekent dat er periodes waren wanneer dat nummer
zelfs nog hoger was. Zelfs met de lengte van de exploratie onbekend,
weten we dat toen Strabo aan het schrijven was, de mijnen al verlaten
waren (of eerder uitgebuit) en dat het goud in Rome voornamelijk uit
Iberia kwam.
In het begin was de goudmijn vooral afhankelijk van Vercelli voor het
administratieve deel, maar toen Eporedia (Ivrea) was opgericht in 100 v.
Chr. is het waarschinlijk verhuisd naar deze stad.
Dit wordt indirect aangetoond door een paar grafstenen en inscripties
van burgers uit Eporedia, dat gebouwd is op de rand van Bessa (Riviera
Hamlet in Zubiena) en de locatie van het oude Victimula (vandaag San
Secondo of Salussola). 
De Riviera grafsteen is gerelateerd aan een priester van Augustus, de
inscriptie uit San Secondo herinnerd aan de donatie van een ponderarium
(een structuur waar gewichten en maten werden bewaard) door een
official. Deze donatie bewijst dat tijdens het tijdperk van Augustus de
extractie activiteiten nog steeds effectief waren, waarschijnlijk
dankzij individuen en beperkt tot de zanden die gedumpt werden na het
wassen, die door de imperfecte behandeling nog steeds behoorlijke
hoeveelheden goud bevatten. De identificatie van Victimula die geciteerd
werd door de Romeinse historici met de Romeinse mijn als vakgebied is
nog niet bevestigd, net zoals de datering van de bewijzen en de
onderzochte structuren die niet verder gaan dan de tijd van het
Keizerrijk en een dodenstad is snooit gevonden.
Het zoeken naar goud in de volgende eeuwen verder tot de dag van
vandaag als hobby in de zanden die geerodeerd zijn door de Elvo rivier
van de oude dumpplaatsen
Bron: http://www.bessa.it/E%20cenni%20storici.htm
Terug naar Goud historie
