English version

Gastenboek








Primitieve periode (5000 B.C-600 B.C)


"En het goud van dat land is goed."

Genesis 2:12


Goud was waarschijnlijk het eerste metaal dat bekend was bij de vroege mensachtigen, omdat zij ongetwijfeld aangetrokken werden door de intrinsieke schoonheid van goud, de makkelijke bewerkbaarheid en ogenschijnlijke onverwoestbaarheid terwijl zij het vonden als nuggets en glitters in de bodem en stroom zanden. Toen de stam ontwikkeling zich voorzette door het Paleoliticum, Mesoliticum en Neoliticum en toen mensen samen gingen leven in geciviliseerde centra, leek het wel aslog het mtaal ineens heilig werd. Dit komt waarschijnlijk door het oneindige kararkter (onsterflijkheid), terwijl het oorspronkelijk waarschijnlijk gedragen werd als amulet en later veranderde in religieuze objecten (afgoden). Tegen de tijd van de vroege Indus (Harappa, Mohenjo-Daro, etc), Sumerische en Egyptische beschavingen (3000-2000 B.C.) had het goud niet alleen zijn oprechtheid behouden, maar was het uitgegroeid tot het symbool van rijkdom en sociale klasse (het koninklijke metaal). Homerus (c. 1000 B.C.) heeft het in de Ilyas en Od yssee, de epische gedichten uit het oude Griekenland herhaaldelijk over goud, zowel als teken van rijkdom onder de stervelingen en als symbool van grootsheid onder de onsterfelijken.

Vroege referenties naar de eerste ontdekking van goud zijn in essentie legendarisch of mythisch. Van Cadmus, de Phoenicier wordt gezegd door sommige vroege schrijvers dat hij goud heeft ontdekt; anderen zeggen dat Thoas, een Taurische koning het eerst het kostbare metaal vond in de Pangaeus bergen. Het Chronicum Alexandrinum (A.D. 628) schrijft deze ontdekking toe aan Mercurius (de ROmeinse god van de handel en handelaren), de zoon van Jupiter, of aan Pisus, koning van Italie, die zijn eigen land ontvluchtte naar Egypte. Vergelijkbare legenden en mythen met betrekking tot de allereerste ontdekking van goud zijn bewaard gebleven in zowel de klassieke literatuur van de Hindus (de Vedas), als in de Chinese en die van andere volken. In feite, de ontdekking van het element dat wij goud noemen is verloren in de oudheid.

De voornaamste bron van goud in primitieve tijden waren ongetwijfeld placer afzettingen, hoewel er ook aanzienlijk bewijzen zijn in bepaalde goud banden (bijv. Egypte en India (Kolar)) dat eluviale afzettingen, goudhoudende gossans en de oppervlakkige delen van brosse (geoxideerde) aders gemijnd werden. De eluviale en alluviale placers werden verwerkt op de ruwste manier, namelijk door middel van pannen of de simpelste vorm van sluicen.

De goudhoudende gossans en blootgelegen delen van de brosse aders werden er simpelweg uitgewroed, gegofferd, gegraven met de strekking mee, met de ruwste van alle gereedschap-steen hames, geweien, en botten en houten scheppen. Zelden schachten en stroompjes aangeslegd, en dan ook nog alleen in het zachte gesteente wat geoxideerd was. Het vuur stoken was waarschijnlijk in dienst van de Egyptenaren, Semieten, Indianen en anderen die de harde quartz aders op braken, hoewel er beperkt bewijs is was deze standpunt ondersteunt. Grootte en graad van de afzettingen maakte weinig verschil; zowel kleine als grote afzettingen die het goud zo of in de pan lieten zien werden bewerkt. Dit werd toegestaan door de lage kosten voor het houden van slaven, veroordelden en krijgsgevangenen die in opdracht van de autoriteiten naar de goud placers en mijnen gestuurd werden.

Goud afzettingen in primitieve tijden

Vroege referenties naar de geologie, mijnbouw en metallurgie van goud verschijnn al in Egyptische codes, op stelea en in pictogrammen en inscripties in de tombes van de farao's. In de Menes code (ca. 3100 v. Chr.), oprichter van de eerste Egyptische dynastie, was er besloten dat "een deel goud is gelijk in waarde aan twee en een half deel zilver", een inidcatie van de overvloed aan goud en de relatieve schaarste van zilver in die tijd. De inscriptie in de tempel van Edfu, Egypte beschijft een epistel aan Seti I (19de dynastie, ca. 1320 v. Chr.) van de Zonnegod: "I heb u de gouden landen gegeven: u gegeven wat er in die landen zit aan electrum, lapis lazuli, en malachiet". Een citaat wat het uitgebreide zoeken en mijnen van goud in opdracht van Seti I van Egypte, Nubie en Sinai heeft vastgelegd.

De meests antieke geologische map die bekend is, is de beroemde "La Carte des mines d'or" (De kaart van de goudmijnen), in het Turijnse museum, is een Rameside papyrus en fragmenten die een actief goudwin gebied beschrijven in de tijd van Seti I (ca. 1320 v. Chr.). Op deze kaart staan wegen, huizen van mijnwerkers, goudmijnen, groeves, goudhoudende bergen, en meer. Alleen de exacte locatie van het gebied op de kaart is problematisch. Sommige schrijvers hebben gesuggereerd dat de mijnen die van Wadi Kareim of Wadi Hammamat weergeven, op de Qena-Qoseir weg (Gardiner, 1914). Ball (1942) en Derry (1951) beweren dat het gebied op de kaart de Wadi Fawakhir is, waar de El Sid goudmijn gelegen is.

De antieke Sumerische, Akkadische, Assyrische en Babylonische beschavinen gebruikten goud op grote schaal, maar hun bronne voor het kostbare metaal zijn relatief onzeker. Placers in de bovenste takken vn de Tigris en Eufraat rivieren zijn waarschijnlijk de belangrijkste bron, hoewel aanwinst door handel met de vroege beschavingen van Arabie, Iran (Elam), de Oxus, Altai Bergen, en India niet uitgesloten kan worden. De antieke beschavingen van Harappa, Mohenjo-Daro en anderen uit e Indus Vallei kenden en gebruiken ook goud, waarvan de bron waarschijnlijk placers in de bovenste takken van de Indus rivier waren en haar verschillende zijriviertjes, of doro handel met de antieke beschavignen van Afghanistan, Baluchistan en noord, oost en zuid India.

Referenties naar goud en het mijnen van goud komen veelvuldig voor in het oude testament van de Hebreeuwen. In feite is goud het eerste metaal dat wodrt genoemd in de Hexateuch, die ook Genesis omvat, de vertaling die waarschijnlijk het eerst ind e 10de eeuw v. Chr. in geschreven vorm verschenen is. Het oude testament noem zes bronnen van goud 9Havilah, Ophir, Sheba, Midian, Uphaz en Parvaim); de exacte locaties van alle zes zijn problematisch en hebben veel speculatie veroorzaakt.

Sommige autoriteiten beweren dat al de zes bronnen Arabisch zijn; anderen hebben gesuggereerd dat de locaties in een groter veld liggen. In Genesis 2:10-12 (Alle bijbelse citaten komen uit de goedgekeurde King James versie van de Heiligie Bijbel, editie uit 1611, of uit de Vulgate editie in het geval van het boek van de Maccabeen.) er is geschreven: "En een rivier ging uit Eden om de tuin te bewateren; en van daar werd het verdeeld, en veranderde in vier hoofden.

De naam van de eerste is Pison: dat is degene die het volledige land van Havilah begrensd, waar het goud is; En het goud van dat land is goed: er is berillium en de onyx steen."

Er is veel speculatie geweest over de locatie van het land van Havilah, de meest waarschijnlijke vanuit een geologisch perspectief is dat de rivier Pison de moderne Coruh is, die uitmondt in de Zwarte Zee vlakbij Batumi, en dat Havilah het Pontische goudveld bij Trabzon, Turkije is. Dit veld is mogelijk ook een van de plaatsen waar Jason en de Argonauten het gulden vlies zochten, omdat binnen historische tijden placer mijnwerkers schapen vachten gebruikten in dit en andere velden om het goud in hun ruwe sluices op te vangen. Een andere locatie die vaak wordt geopperd is een plaats ten noorden van de antieke plaats van Babylon, tussen de Eufraat en de Tigris rivieren. De stelling in Genesis dat het goud goed is, betekent waarschijnlijk relatief puur, wat weer een placer bron voor het metaal suggereert. Voor zover kan worden gegarandeerd, hebben er nooit placers bestaan in de buurt van Babylon, alhoewel het moet worden opgemerkt dat placers misschien bewerkt zijn in de buurt van de hoofdstromen van zowel de E ufraat als de Tigris in de berggebieden van Armenie (oost Turkije). Van al deze verschillende locaties lijkt het Pontische goudveld de meest warschijnlijke locatie te zijn voor Havilah.

Er is ook veel gespeculeerd ove rde lokatie va Ophir, het legendarisch rijke land van goud van waar koning Solomons Phoenisische (Tharshisch) marine grote hoeveelheden van het metaal meebracht (ongeveer 34 ton) naar zijn koninkrijk. In Genesis 10 wordt het geassocieerd met Havilah en Seba; de laatste, zoal opgemerkt, was waarschijnlijk het Pontische goudveld aan de zuidelijk kust van de Zwarte Zee, een locatie die de lange tijdsperiode misschien verklaart, om de reis van Ezion-geber aan het hoofd van de Golf van Aqaba naar Ophir en terug (I Koningen 10:22). De genoemde lading - aimug (sandelhout) bomen, kostbare stenen, ivoor, apen en pauwen - suggereren een rondavaart om Africa.

Tharshisch of Tarshisch (een centraal gebied op Cadiz) suggereert dat het goud misschien wel uit Spanje kwam, en in het bijzonder van de geoxideerde afzettingen uit het Huelva gebied, waar het moderne mijnstadje Tharsis, dat vaak vergeleken wordt met Tarshish, is gelegen. Ondersteunend bewijs hiervoor wordt gevonden in het eerste boek van de Maccabeeen (I Mace. 8:1-3) waarin de goud en zilver mijnen van Spanje genoemd worden. Andere mogelijkheden zijn Oost-Afrika, eigenlijk Zimbabwe en in het bijzonder de ruines van het Grote Zimbabawe, waar sommigen denken dat Koning Solomons mijne en metallurgische planten waren gelegen. Andere mogelijke locaties voor de mijnen van Koning Solomon zijn zuid Turkije (Taurus Bergen), noord west Saoudi Arabie (het land van de antieke Midians en mogelijk het Eldorado van de Hebreeuwen), Sudan (het vroegere Nubia; Nub betekent goud in het Egyptisch), Altai (Purington, 1903), Ethiopie (langs de kust tussen het oude Adulis en Bab el Mandeb, die zichzelf de Apaten noemden, India (m ogelijk het Kolar gebied, Cuba, Peru, het verre oosten (in het bijzonder Japan), Arctisch Canada en nog honderd andere plaatsen. Het verhaal van Ophir wordt goed verteld door Rickard (1932) en Sutherland (1969). De historie van de oude Zimbabwaanse (Rhodesische) goud mijnen van de ruines van het Groe Zimbabwe is wordt in fascinerend detail beschreven door Summers (1969).

Sheba, van wie de koningin een grote voorraad (6 ton) aan goud meebracht voor Koning Solomon, komt overeen met het moderne Yemen, waar oude eluviale placers misschien voorkwamen in combinatie met geoxideerde zones van koper en loodsulfide afzettingen. Het lijkt echter meer aannemelijk dat de Koningin van Sheva het meeste van haar uit Punt kreeg, wat kan worden vergeleken met de goudhoudende landen gebieden in de landen aan de Rode Zee en de Golf van Aden (Sudan, Ethiopie, Djibouti, Somalie) en mogelijk ook met Zimbabwe. Het was van deze gebieden in Punt waar de Egyptische zeemacht in de tijd van Koningin Hatsheput (1503-1482 v. Chr.) en later grote voorraden goud en stibium (stibnite) meebrachten naar Egypte.

Midian, wat vaak beschouwd wordt als het Eldorado van de Hebreeuwen, beslaat het meest noordelijke kustgebied van Hejaz, Saoudi Arabie, aan de Rode Zee en haar Gold van Aqaba. In bijbelse tijden was in dit gebied het goud in overvloed aanwezig, zoals vastgelegd in citaten in Numeri 31:50-54, die gerelateerd zijn aan de gouden buit die de Israelieten meenamen na de eerste Midianite oorlog en door de verklaringen in Rechters 8:24-27 waarin de gouden bijdrage geaccepteerd wordt door Gideon na de verovering van Midian wordt beschreven. Veel van het Midiaanse goud lijkt zijn oorsprong te hebben in geoxideerde goud quartz afzettingen die in de oude tijden tot op flinke diepte bewerkt werden (Burton, 1979).

De twee andere bronnen van goud die genoemd worden in het oude testament, Uphaz (Jeremiah 10:9; Daniel 10:5) en Parvaim (II Kronieken 3:6) konden niet geidentificeerd worden vanuit deze referenties. Het lijkt erop dat deze liggen in de goudhoudendende gebieden van west Arabie. De talrijke referentie naar goud en zilver in het Oude Testament getuigen van de belangrijke rol van deze metalen in Bijbelse tijden. In het merendeel van de gevallen wanneer de twee metalen genoemd worden, komt zilver eerst, wat misschien een erg vroege periode weerspiegelt toen goud minder gewaardeerd werd dan zilver, een situatie die misschien ook wel bevestigd wordt door het feit dat het meeste goud uit de oudheid uit placers komt, aarvan het stof en de nuggets maar een fractie zilver bevatten. Later, toen zilverhoudende galena afzetting werden bewerkt (waarschijnlijk in Punt, Arabie, Attica, het Egeisch gebied, klein Azie, Tragie en andere plaatsen), kwam zilve zo vaak voor dat tegen de tijd van Solomon het metaal "van geen enkele waarde" (I Koningen 10:21) en "door het beleid van de was zilver in Jeruzalem net zo gewoon als steen" (I Koningen 10:27).

Geologische referenties naar goud en zilve zijn relatief zeldzaam in het Oude Testament. In het boek van Job begint het, "ER is zeker een ader voor het zilver, en een plaats voor het goud waar zij het vinden" (Job 28:1) en "En voor de aarde ... zij bevat stof goud" (Job 28:5-6) - citaten die, ofschoon naief, twee van de meest verheven waarheden over het voorkomen van goud en zilver bevatten, namelijk in aders en in placers.

Er is wat bewijs uit antieke geschriften dat goud placers en overblijvende (geoxideerde) afzettingen sporadisch geexploiteerd werden in de oudheid, op de vele eilanden in het Egeisch gebied (Thasos, Samos, Siphnos), in Anatolie (Lydia) en de Troad (Troje), in Tragie, Macedonie en Arcadie, in het grens gebied van de zuidkust van de Zwarte Zee (Pont Euxinus), in Cappadocia (centraal Turkije), in Bactrie (bovenste takken van de Oxus rivier), in centraal Asie (Tien Shan en het Altai gebergte) en misschien in Dacie (Transylvanie). Veel goud lijkt ook in Spanje gewonnen te zijn, waarschijnlijk uit verscheidene afzettingen en gebieden (Huelva, Almeria).

India, in het bijzonder zuid India, staat al lang bekend om zijn goudhoudendhied, waar in de oudheid veel goud uit eluviale en alluviale placers werd gewonnen en uit de geoxideerde, dagzomende aders. Diodorus Siculus, zegt in zijn Bibliotheca historic, geschreven in de eerste eeuw v. Chr. dat in India de aarde "bevat rijke ondergrondse aderen van verschillende materialen, waaronder veel van zilver en goud..."

Zo ook werd er in China goud gezocht en gebruikt tijdens de vroege Shang beschaving (1800-1027 v. Chr.) van de Huang-Ho (Gele) rivier, het kostbare metaal werd in principe verkregen uit placers in de achterlanden van dit grote riviersysteem en mogelijk ook uit placers in Mongolie. Mills (1916) suggereert dat goud mijnen (placeren) waarschijnlijk in 1122 v. Chr. geintroduceerd was in Korea door de aanhangers van de Ki-ja, die migreerden vanuit China. Vanuit Korea werden de methoden voor het mijnen van eluviaal en alluviaal placer goud overgebracht naar Japan, waarschijnlijk al in 660 v. Chr. (Bromehead, 1942).

Goud was al bekend bij de oude Amerindiers, maar het metaal werd niet hoog gewaardeerd in de periode die beschreven is in dit stuk. Later, tijdens de eerste eeuwen van het Christelijke tijdperk, verkreeg goud een belangrijkere status in Olmec, Zapotec, Maya, Azteken en andere beschavingen van Mexico en Midden-Amerika en de Inca beschaving van Zuid-Amerika. Goud werd niet op prijs gesteld door de Amerindiers van Canada en de Verenigde Staten, en de aboriginals van Australie lijken ook geen aandacht aan het kostbare metaal geschonken te hebben.

Samenvattend: Goud was waarschijnlijk het eerste metaal dat bekend was bij de mensheid, en referenties ernaar verschijnen zo ongeveer vanaf de geboorte van het schrift. Alle van de eerste beschavingen waardeerden, gebruikten het, en zochten naar het kostbare metaal in hun landen en provincies, of door handel. Referenties naar de geologische voorkomens van goud afzettingen zijn zeldzaam in de pre-klassieke literatuur, maar de meeste antieke geologische kaarten laten een goudhoudend gebied in Egypte zien.

Referenties en geselecteerde bibliografie

  • Aitchison, L., 1960. A History of Metals, 2 vols., Macdonald & Evans, London, 647p.
  • Andree, J., 1922. Bergbau in der Vorzeit, C. Kabisch, Leipzig, 72p.
  • Ball, J., 1942. Egypt in the Classical Geographers, Survey of Egypt, Cairo, Government Press, Bulaq, 203p. (See Appendix 1).
  • Bromehead, C. N., 1942. Ancient mining processes as illustrated by a Japanese scroll, Antiquity 16:193-207.
  • Browne, C. A., 1935. The chemical industries of the American aborigines, Isis 23 (2):406-424.
  • Burton, R. E, 1979. The Gold-mines of Midian and the Ruined Midianite Cities (1878), Falcon-Oleander, London, 238p.
  • Cambridge Ancient History, 982 p., 12 vols., Cambridge Univ. Press, Cambridge.
  • Cheyne, T. K., and J. S. Black, Eds., 1899-1903. Encyclopaedia Biblica, 4 vols., Macmillan, New York.
  • Davies, O., 1935. Roman Mines in Europe, Clarendon Press, Oxford, 291p.
  • Derry, D. R., 1951. A 3000 year old gold mine, Canadian Mining Jour, 72 (pt. 2, no. 8):68-72.
  • Dominian, L., 1912. History and geology of ancient gold-fields in Turkey, Am. Inst. Min. Eng. Trans. 42:569-589.
  • Forbes, R. J., 1971. Studies in Ancient Technology, 2nd ed., vol. 8, E. J. Brill, Leiden, Holland, 295p.
  • Gardiner, A. H., 1914. The map of the gold mines in a Ramesside papyrus at Turin, Cairo Sci. Jour. 8:42-46.
  • Gardiner, A., 1961. Egypt of the Pharaohs, Oxford Clarendon Press, 461p.
  • Garland, H., and C. 0. Bannister, 1927. Ancient-Egyptian Metallurgy, Charles Griffin & Co., London, 214p.
  • Hawkes, J., ed., 1974. Atlas of Ancient Archaeology, McGraw-Hill, New York, 272p.
  • Healy, J. E, 1978. Mining and Metallurgy in the Greek and Roman World, Thames & Hudson, London, 316p.
  • Healy, J. E, 1985. The processing of gold ores in the ancient world, Canadian Inst. Min. Metall. Bull. 78 (874):84-88.
  • James, T. G. H., 1972. Gold technology in Ancient Egypt, Gold Bulletin 5 (2):38-42.
  • Jenness, D., 1960. The Indians of Canada, 5th ed., Canada Natl. Mus. Bull. 65, 452p.
  • Kidder, A., 1964. South American high cultures, in Prehistoric Man in the New World, Univ. Chicago Press, pp. 451-486.
  • Levey, M., 1959. Chemivtry and Chemical Technology in Ancient Mesopotamia, Elsevier, Amsterdam, 242p.
  • Lucas, A., 1948. Ancient Egyptian Materials and Industries, 3rd. ed., Longmans, London, 580P.
  • Martin, P. S., G. 1. Quimby, and D. Collier, 1947. Indians before Columbus, Univ. Chicago Press, Chicago, 582p.
  • Mills, E. W., 1916. Gold mining in Korea, Royal Asiatic Soc. Korea Branch Trans. 7:5-39.
  • Needham, J., 1954-1983. Science and Civilization in China, 6 vols., Cambridge Univ. Press, Cambridge.
  • Partington, J. R., 1936. Origins and Development of Applied Chemistry, Longmans, Green & Co., London 597p. Reprint Arno Press, New York, 1975.
  • Patterson, C. C., 1971. Native copper, silver, and gold accessible to early metallurgists, Am. Antiquity, 36 (3):286-321.
  • Purington, C. W., 1903. Ancient gold mining, Eng. and Mining Jour 75:437.
  • Ray, P. C., 1905. A History of Hindu Chemistry from the Earliest Times to the Middle of the Sixteenth Century A.D., Vol. 1, Bengal Chemical & Pharmaceutical works, Calcutta, 312p.
  • Rickard, T. A., 1932. Man and Metals, 2 vols., McGraw-Hill, New York, 1068p.
  • Rosenfeld, A., 1965. The Inorganic Raw Materials of Antiquity, Frederick A. Praeger, New York, 245p.
  • Sagui, C. L., 1930. Economic geology and allied sciences in ancient times, Econ. Geology 25:65-86.
  • Shepherd, R., 1980. Prehistoric Mining and Allied Industries, Academic Press, London, 272p.
  • Summers, R., 1969. Ancient mining in Rhodesia, Natl. Mus. Rhodesia Mem. 3, Salisbury, 236p.
  • Sutherland, C . H. V., 1969. Gold: Its Beauty, Power, and Allure, 2nd rev. ed., McGraw Hill, New York, 196p.
  • Tylecote, R. E, 1962. Metallurgy in Archaeology, Edward Arnold, London, 368p.
  • Tylecote, R. E, 1976. A History of Metallurgy, The Metals Society, London, 182p.
  • Weeks, M. E., and H. M. Leicester, 1968. Discovery of the Elements, 7th ed., Jour. Chem. Educ., Easton, Pa., 896p.
  • Wheeler, M., 1968. The Indus Civilization, Cambridge Univ. Press, Cambridge, 144p.
  • Whitehouse, D., and R. Whitehouse, 1975. Archaeological Atlas of the World, W. H. Freeman & Co., San Francisco, 272p.


    Bron: http://www.minelinks.com/alluvial/goldPrimitive.html
    Rafal Swiecki, geological engineer. Februari, 2006

    Terug naar Top van de pagina
    Terug naar Goud historie
    Verder naar de Historie van goud in de Classical period